
|

KAAPSKOGEL SCHRIJFT
Op deze plek
voortaan het dagboek van Arend Kaapskogel, toegepast kunstenaar die “iets
heeft met metaal”. Bekend geworden met zijn “Zilveren Kiwi” in de centrale
hal van het gemeentehuis van Sint Annahoeve. Huisvriend en gevoelsgenoot van
mij. Ik geef hem graag de ruimte.
Doordevil
09-03-2001
Volgende week een installatie voorbereiden in het gemeentehuis van Woudsend. Via
Peter van Diets, van Cultuur en Voorlichting in contact gekomen met de
burgemeester van Woudsend. Hij had mijn Gekruisigde IJzeren Reiger gezien, in
het dorpshuis van Oude Schapema. Wilde hij alles van weten. Waarom ik
bijvoorbeeld zestig liter wijn had gebruikt
als wijwater en waarom die roestige snavel steeds in een scrotum van
staal bikte.
Weet
ik veel, godverdomme Ik kloot ook
maar wat aan. Beetje rommelen met staal, visdraad, teer en Oost-Indische inkt,
er vloekend omheen lopen, wat aan mijn taas zitten, op een sokkeltje lassen en
hopla weer een echte Kaapskogel voor een middelgrote groeigemeente. Maar dat
hoeven die pielemozen niet te weten. Vechten en armoe lijden, een roeping
meneer, dat beeld cultiveer ik een beetje. Zien ze graag. Zwart bivakmutsje op,
Sil de Strandjutter is gaan schilderen, dat idee. Zware roker in een reclame
voor Drum. Dat zien ze graag. Gekweld kunstenaar. Bij een eerste introductie
loop ik meestal eerst een buffet vol sateetjes van de haas van tafel. Heb ik dan
niet gezien of zoiets omdat het licht zo en zo op een
kozijn ergens in een hoek viel. Goed lazarus worden bij de eerste
bespreking. Bohémien weet je wel. Keihard de burgemeester voor zijn achterhoofd
slaan en iets roepen als “wij gaan het neerzetten man, ouwe reus, hier, een
Kaapskogel in Zeeperweerd, jij en ik, oude rukker, kom eens hier!!”. Stukken
beton in je haar is altijd goed. Klodders verf onder je oog. Dat werk.
Doe
ik het liefst, voor van die domme ribfkuwelenbroeken dragers een fijn beeld van
echt staal in elkaar zetten. Dus niet met een wit plastic vormpje aan komen
kakken en het dan “eenzelvigheid ’94, voorstudie” noemen maar in de hal
van een cultureel centrum een roestige in elkaar gedrukte sinaasappelschil van14
meter uitrollen, dat is meer mijn ding.
Nu
bij Woudsend dus ook een echte Kaapskogel. Liep even wat moeilijker. De
plaatselijke ouderenbond wilde een beeld dat respect naar de oudere medemens
uitdrukt. Moeilijk, moeilijk, reageer ik dan meestal. Beetje vloeken en tieren
in mijn atelier als iemand zo’n boodschap komt brengen. Bijna altijd wel een
splintergroepering die iets in het beeld uitgedrukt wil zien. Met schuim om mijn
mond door dat atelier lopen, dat schrikt ze meestal wel af. Ik, Arend Kaapskogel,
laat me de wet niet voorschrijven. Ik maak godverdomme een zeekoe van aluminium
als ik dat wil, begrepen! Gaan ze meestal snel weer op huis aan. Daarom heb ik
mijn atelier ook in Amsterdam. Kennen ze alleen van Tros aktua, die
gemeentepikkies. Moeten ze parkeren in de Binnenbantammerstraat. Dat zet toch
een sfeertje neer. Komen ze binnen, loop ik toevallig naakt met een penseel in
mijn reet door het atelier. Ga dan maar vragen of ik in mijn beeld “iets van
de kracht van de opgroeiende ,jeugd kan uitdrukken”. . Laat ik ze meestal mijn
laatste werk zien, “Zelfportret In Schaamhaar”. Vertel ik
ze dat ik dat doek van 6 bij 4 meter in drie jaar tijd heb gemaakt omdat
het essentieel is dat ik het moeizaam weer aangegroeide
schaamhaar om de drie maanden met mijn blote handen uit mijn eigen kruis
trek. Dat voldeed meestal wel.
Mannetje
van Woudsend was een volhouder. Begreep het allemaal wel. Had zelf een
achterlijke broer die schilderde. Hingen ze tijdens verjaardagen met zijn jas
aan de kapstok, lachen weetjewel. Kende mijn slag wel. Of ik voor Woudsend iets
wilde maken met gevoel.
Wilde
ik wel. Ga het volgende week neerzetten. “Lillend Kutvlees” is de werktitel,
maar het kan nog alle kanten op.
|

|