Doordevil, the man without taste!



Doordevil, the man without taste!

Doordevil leeft mee





Dijkshoorns Lijflog: Hier

Beeldend Kunstenaar

Roemans Badelberg Del Latente (Karel Steenhuizen) vroeg zich iedere ochtend af of hij wel echt een beeldend kunstenaar was. Verlammende twijfel. Hij sliep op zijn rug, met zijn mond wijd open, dat was wel een beetje bohémien, maar dat hij honger had als hij zijn bed uitstapte, dat zat hem dwars. Wat een platvloers emotietje, honger. Hij negeerde het. Hij keek eens in de spiegel.Niet verkeerd. Met wat moeite kon hij doorgaan voor een vroegoude man. Zo jong en al zoveel ballast. ‘Hoi, Roemans Badelberg, beeldhouwer als je het zo wilt noemen” zei hij tegen zichzelf. 

Geen woord gelogen. Materie, hij had er iets mee. Hij liet graag dingen existeren in een ruimte, heel jong al. Een lucifer in een glaasje water zetten en het dan maar laten gebeuren, dat soort dingen. Hij was gewoon anders. Nooit at hij aan tafel. Hij weigerde van jongs af aan de dwingende autoriteit van het gebruiksgemak te erkennen. Hij lag liever na te denken, over dingen enzo. Dat hijzelf bijvoorbeeld een beeldhouwwerk was. Dat soort ideeën, van die unieke Roemans Badelberg associaties. Zijn moeder had hem eigenlijk als een bal vochtige klei in haar buik gedragen. Ze was van hem afgepeld en hij had zich geopenbaard. Zo zag hij het. Nu de rest van de wereld nog. 

Honger. Godverdomme. Met tegenzin smeerde hij een boterham. Hij probeerde, om het platvloerse eetgedoe wat uit zijn referentiekader te tillen, er nog iets artistieks van te maken. Hij legde de besmeerde kant op zijn bord en probeerde de korst nat te likken. Geil. Dat was nou net niet de bedoeling. 

Drie dagen geleden was hij voor het laatst geil geweest. Donkert Balslicht ( Peter van der Vegt), een video-performer, blikslager en auditief belevingskunstenaar, maar wel alles in de avonduren, had hem gezegd dat zijn grote kracht lag in het “zelf scheppen van een niet lineaire werkelijkheid die toch logisch aandeed, op een bepaalde manier, geef me nog een biertje oude rukker”. Dat had hij gedaan en daarna had hij het snel opgeschreven, in de keuken. ’s Nachts had hij zich afgetrokken. “Je bent een lekker mannetje, Roemans, oooo, lekker kereltje, je kan wat hoor jongen, ja, je bent een kunstenaar, oeeee, nou, kijk eens die handen, die willen hakken en kneden, hakken en kneden en een niet lineaire werkelijkheid scheppen die aaaaahhhhhh..”. Drie enorme witte stralen. En zo was hij dan ook weer, typisch iets voor hem, dat hij die dan non-figuratief op zijn bed had proberen te slingeren. Voldaan stelde hij vast dat hij mooi wit klaarkwam. Gekleurd klaarkomen was meer iets voor schilders. Losers. 

Hij ging zitten. Het liet op zich wachten de inspiratie vandaag. Hij keek naar zijn krabbels van gisteren. “Iets met een wasmachine en cement maar dan met wol als brandstof”. Dat moest nog uitgewerkt worden. “Naar Stedelijk en heel hard lachen om alles en dat opnemen, cut-up techniek en van geluid een Symfonie Der IJdelheden componeren en die dan laten afzinken in het IJsselmeer”. Moest hij naar het Stedelijk, dat was wel kut. Over kut gesproken, dat ideetje was ook aardig. “Vrouwenkut van graniet en dan met hamer aan stukken slaan, slaan, slaan, slaan....” 

Maar vandaag kwam er niets. Hij keek naar buiten. De grachtengordel lag er prachtig bij. Als iemand hem aan zijn voeten vasthield en hij helemaal uit het zolderraam ging hangen dan zag hij net het mooie stuk van de gordel. Hij zat in een drooggevallen greppel, waar niemand wilde wonen. Maar er was toch nooit iemand bij hem thuis die hem vast kon houden, zelfs niet aan zijn voeten. 

Boodschappen doen, dat zou zijn artistieke woede wel voeden. Hij schoot zijn werkmansbroek aan. Stukken cement hingen aan zijn knie. Goed. Hij deed altijd boodschappen met een beitel in zijn hand. Zogenaamd verstrooid, vandaar. Kijk daar liep een kunstenaar. 

In de supermarkt keek men hem na. Ja, hij was een uniek individu, godverdomme als het niet waar was. Kijk, wat een leuk potje jam, met dat dekseltje, handig, om af te sluiten. 

Hij schrok. Hij had vertederd naar jam gekeken. Hij had de confiture niet in haar eigen coëxistentie manipulatief een dominante conversatie aan laten gaan met de loden lucht om haar heen, maar hij had het potje als potje ervaren. Wat was er met hem aan de hand? Dit was niet goed. Paniek. 

Een jongetje keek hem langdurig aan. Dat deed hem goed. Hij keek zo kunstenaar mogelijk terug. Ja, dit jongetje voelde zijn genie. Vanavond zou hij aan zijn moeder vragen: “moeder, die rare meneer in de winkel, met dat gruis in zijn haar en met zonder tanden, bij de jam, die meneer, wat was dat voor een meneer dan?’ Zijn moeder zou antwoorden: “dat is, met een moeilijk woord, een beeldend kunstenaar, jongen, eet je wel door”.  “Maar die meneer, die beeldend kunstenmaker, die maakt dingen dus, maar voor wie dan maakt hij dat, moeder”  En de moeder zou haar kind vertederd op schoot nemen en zeggen: “hij maakt ze voor de wind, lieverd, hij maakt ze voor de wind.” 

Maar ondertussen stierf hij nog steeds van de honger. Kip kerrie werd het.

Roel en Roel heersen met een grote H 

Nu ook: De Verzamelde Kritieken 






Doordevil, the man without taste!

Dijkshoorn in het Veronica Forum

Rudeboy wordt intiem
retecool, duidelijkheid kent geen tijd