
|
Dijkshoorns
Lijflog: Hier
Beeldend Kunstenaar
Roemans Badelberg Del Latente (Karel Steenhuizen)
vroeg zich iedere ochtend af of hij wel echt een beeldend kunstenaar was.
Verlammende twijfel. Hij sliep op zijn rug, met zijn mond wijd open, dat was wel
een beetje bohémien, maar dat hij honger had als hij zijn bed uitstapte, dat
zat hem dwars. Wat een platvloers emotietje, honger. Hij negeerde het. Hij keek
eens in de spiegel.Niet verkeerd. Met wat moeite kon hij doorgaan voor een
vroegoude man. Zo jong en al zoveel ballast. ‘Hoi, Roemans Badelberg,
beeldhouwer als je het zo wilt noemen” zei hij tegen zichzelf.
Geen woord gelogen. Materie,
hij had er iets mee. Hij liet graag dingen existeren in een ruimte, heel jong
al. Een lucifer in een glaasje water zetten en het dan maar laten gebeuren, dat
soort dingen. Hij was gewoon anders. Nooit at hij aan tafel. Hij weigerde van
jongs af aan de dwingende autoriteit van het gebruiksgemak te erkennen. Hij lag
liever na te denken, over dingen enzo. Dat hijzelf bijvoorbeeld een
beeldhouwwerk was. Dat soort ideeën, van die unieke Roemans Badelberg
associaties. Zijn moeder had hem eigenlijk als een bal vochtige klei in haar
buik gedragen. Ze was van hem afgepeld en hij had zich geopenbaard. Zo zag hij
het. Nu de rest van de wereld nog.
Honger. Godverdomme. Met
tegenzin smeerde hij een boterham. Hij probeerde, om het platvloerse eetgedoe
wat uit zijn referentiekader te tillen, er nog iets artistieks van te maken. Hij
legde de besmeerde kant op zijn bord en probeerde de korst nat te likken. Geil.
Dat was nou net niet de bedoeling.
Drie dagen geleden was hij voor
het laatst geil geweest. Donkert Balslicht ( Peter van der Vegt), een
video-performer, blikslager en auditief belevingskunstenaar, maar wel alles in
de avonduren, had hem gezegd dat zijn grote kracht lag in het “zelf scheppen
van een niet lineaire werkelijkheid die toch logisch aandeed, op een bepaalde
manier, geef me nog een biertje oude rukker”. Dat had hij gedaan en daarna had
hij het snel opgeschreven, in de keuken. ’s Nachts had hij zich afgetrokken.
“Je bent een lekker mannetje, Roemans, oooo, lekker kereltje, je kan wat hoor
jongen, ja, je bent een kunstenaar, oeeee, nou, kijk eens die handen, die willen
hakken en kneden, hakken en kneden en een niet lineaire werkelijkheid scheppen
die aaaaahhhhhh..”. Drie enorme witte stralen. En zo was hij dan ook weer,
typisch iets voor hem, dat hij die dan non-figuratief op zijn bed had proberen
te slingeren. Voldaan stelde hij vast dat hij mooi wit klaarkwam. Gekleurd
klaarkomen was meer iets voor schilders. Losers.
Hij ging zitten. Het liet op
zich wachten de inspiratie vandaag. Hij keek naar zijn krabbels van gisteren.
“Iets met een wasmachine en cement maar dan met wol als brandstof”. Dat
moest nog uitgewerkt worden. “Naar Stedelijk en heel hard lachen om alles en
dat opnemen, cut-up techniek en van geluid een Symfonie Der IJdelheden
componeren en die dan laten afzinken in het IJsselmeer”. Moest hij naar het
Stedelijk, dat was wel kut. Over kut gesproken, dat ideetje was ook aardig.
“Vrouwenkut van graniet en dan met hamer aan stukken slaan, slaan, slaan,
slaan....”
Maar vandaag kwam er niets. Hij
keek naar buiten. De grachtengordel lag er prachtig bij. Als iemand hem aan zijn
voeten vasthield en hij helemaal uit het zolderraam ging hangen dan zag hij net
het mooie stuk van de gordel. Hij zat in een drooggevallen greppel, waar niemand
wilde wonen. Maar er was toch nooit iemand bij hem thuis die hem vast kon
houden, zelfs niet aan zijn voeten.
Boodschappen doen, dat zou zijn
artistieke woede wel voeden. Hij schoot zijn werkmansbroek aan. Stukken cement
hingen aan zijn knie. Goed. Hij deed altijd boodschappen met een beitel in zijn
hand. Zogenaamd verstrooid, vandaar. Kijk daar liep een kunstenaar.
In de supermarkt keek men hem
na. Ja, hij was een uniek individu, godverdomme als het niet waar was. Kijk, wat
een leuk potje jam, met dat dekseltje, handig, om af te sluiten.
Hij schrok. Hij had vertederd
naar jam gekeken. Hij had de confiture niet in haar eigen coëxistentie
manipulatief een dominante conversatie aan laten gaan met de loden lucht om haar
heen, maar hij had het potje als potje ervaren. Wat was er met hem aan de hand?
Dit was niet goed. Paniek.
Een jongetje keek hem langdurig
aan. Dat deed hem goed. Hij keek zo kunstenaar mogelijk terug. Ja, dit jongetje
voelde zijn genie. Vanavond zou hij aan zijn moeder vragen: “moeder, die rare
meneer in de winkel, met dat gruis in zijn haar en met zonder tanden, bij de
jam, die meneer, wat was dat voor een meneer dan?’ Zijn moeder zou antwoorden:
“dat is, met een moeilijk woord, een beeldend kunstenaar, jongen, eet je wel
door”. “Maar die meneer, die
beeldend kunstenmaker, die maakt dingen dus, maar voor wie dan maakt hij dat,
moeder” En de moeder zou haar
kind vertederd op schoot nemen en zeggen: “hij maakt ze voor de wind, lieverd,
hij maakt ze voor de wind.”
Maar ondertussen stierf hij nog
steeds van de honger. Kip kerrie werd het.
Roel en Roel heersen
met een grote H
Nu ook: De
Verzamelde Kritieken
|

|