
|

Bruiloften en partijen
Hoe het
gaat. Je speelt met je band in een kroeg en verdomd je blijkt
precies de nummers te spelen die hij ook leuk vindt. Dat schept een band.
Je kent hem vaag. Ergens wel eens tegengekomen daar en daar met die en die.
“Leuk man, tijd niet gezien, staat je goed die snor, hé ik moet spelen,
spreek je zo”. Al halverwege het eerste nummer annexeert hij de piepkleine
dansvloer vlak voor ons. Hij zal de rest van de avond met ziel en zaligheid
laten zien dat hij Een Dansende Vriend van de band is.
Vanuit
mijn ooghoeken zie ik hem tekeer gaan. Hare Hare, Krishna Krishna. Het lijkt of
George Harrison zelf in hem is gevaren zo gaat hij tekeer. Een uitdrijving. Een
sitar die door de anus naar buiten moet en daar dan de juiste bewegingen bij.
Een uitzinnige dans met de armen rondtollend als wentelwieken. Sluit er een
houten raderwerk op aan en je kan voor veertien gezinnen koren malen. Hopla, weg
is hij opeens, in volle draf door het café. Hij herkent een nummer dat wij
spelen. Extase. Veegt hollend en wapperend met de armen alle tafeltjes in één
keer leeg. Mensen gaan met kruk en al als een levend peillood in moordend tempo
naar de vloer. Zijn benen beginnen nu ook op onze manische bluesrock te
reageren. Geen weg meer terug. Alle kanten slingert het op. Al kijk je er 20
minuten naar, het is niet te voorspellen welke kant ze opzwabberen. Simon
Vinkenoog met een spierverslappend middel wint de lotto, dat beeld.
Ja,
mensen, hier gaat onze vage kennis helemaal te gek op ónze muziek! We spelen
stevige rock maar wat maakt het hem godverdomme allemaal uit, meneer vindt het
prachtig. Midden in een partij gierende feedback implodeert hij. Angstig om te
zien. Alsof hij een schot hagel in zijn rug krijgt. Je DVD op de pauzestand
tijdens Saving Private Ryan, daar lijkt hij op. Hij blijft drie kwartier met
rollende ogen op één been staan, midden op de dansvloer. Wij pauzeren even.
Iemand hangt zijn jas op aan zijn naar het plafond wijzende vinger. Als onze
drummer “Hard to handle” aftikt opeens weer totale beleving. Alsof je water
op limonadesiroop gooit. Het leeft! Nog woester beweegt hij op onze muziek.
Baltsende reiger in te krappe habitat. Ruimte, ruimte!!! Wederom klapwiekend
door het café. Hij schreeuwt er nu ook bij. “MAAAATTHEERRRFOOOCCKKERRRRRR”.
Gek genoeg zijn we blij met deze man vlak voor ons. Het is net alsof iedereen
plezier heeft.
Na
het optreden. Hij heeft, willen we dat geloven of niet, een heerlijke avond
gehad. Hoe flikken we het in godsnaam? Het moet iets prachtigs zijn, ons door
god gegeven muzikale talent. Ik zeg dat het vooral heel belangrijk is om
regelmatig nieuwe snaren op je gitaar te zetten. “Alleen met goede snaren
stijg je boven jezelf uit, vergeet dat nooit, jongen!” Ik pak zijn hand en leg
er zwijgend een plectrum in. Ik speel, schijtlollige muzikant die ik ben, de
oude Kung Fu Meester die zijn achterlijke neef onderricht in het bespelen van de
Aziatische Oekelele. Inside muzikantengrap. “Gebruik het alleen ten goede,
mijn vriend” tegen de bassist zeggen als hij zijn instrument uitpakt. Maar
deze vogel schrijft het op. Papiertje geleend bij de bar. “Nieuwe snaren,
nooit vergeten” zie ik hem noteren. Dit wordt een zwaar avondje.
Lang
verhaal kort. Aan het eind van de avond staan we geboekt voor zijn bruiloft drie
maanden later. Is nu aanstaand weekend.
Foute
boel, spelen op bruiloften. Al te goed herinner ik me ons laatste optreden
tijdens een lopend buffet. Danny, de bruidegom, legde het ons nog één keer
uit. Het was vooral
de bedoeling dat we “lekker ons eigen ding deden”. Lak aan Tante Beef van
Ome Raam. Niks lekker zachte muziek. We mochten de gasten trakteren op een
stevig portie hedendaagse noise met hardcore invloeden. Nee, echt, onze gastheer
wist het zeker. “Precies, jongens, niet dat stijve, niet dat benauwde, gewoon
zoals jullie normaal spelen, niks aan de hand. Succes!”
Al
tijdens het tweede nummer een hyperventilerende ceremoniemeester naast het
podium. Midden in een aanzwellend F-akkoord even met mijn oor tegen zijn mond.
“I don’t bump no more no big fat woman” schreeuwt hij. Onze vage kennis is
onder de immense druk bezweken. Net alle enveloppen ontvangen, dat maakt hem
kwetsbaar. Graag ook iets spelen voor Ome Leep
later op de avond, iets met pom-pom-pom er in en aan het eind dan
pam-pam-pam, kan dat?
Ik
durf niet naar onze zanger te kijken. Hij zingt nu “shake shake shake, shake
shake shake, shake your bootie, shake your bootie”. Onze B3 hammond organist
is verdwenen. Levensgevaarlijk figuur in dit soort omstandigheden. Wil nog wel
eens volkomen onafhankelijk van de rest van de band een setje Emerson, Lake and
Palmer dwars door ons heen spelen. Opeens het onbegrepen genie spelen. De schijt
aan blues, vanavond alles in 7/8e.
Volledige artistieke vrijheid opeisen tussen de sateetjes en de
vlammetjes dat zou echt iets voor hem zijn. Godzijdank is hij onvindbaar. Hij is
een tijdbom, dat weten we, alleen heeft hij niet zo’n handige digitale display
met rode cijfers in zijn voorhoofd, waarop je, zoals in films, kan zien wanneer
de bom afgaat. Vind ik netjes, dat boeven dat er in bouwen, opdat je precies
weet hoeveel tijd er nog is om je leven als een film aan je voorbij te zien
trekken.
Opeens
krijgen we weer een rebelse opleving. Ze kunne de kolere krijgen. Niks lets do
it lets dance lets dance across the floor. De neten voor ze. We zetten Rock ‘n
Roll van The Velvet Underground in.
Direct verschijnt onze toetsenist. We zien het meteen. Foute boel. Lou
Reed in deze setting heeft iets vreselijk in hem losgemaakt. Hij heeft een
mondharmonica tussen de tanden geklemd. Het syndroom van Once Upon A Time In The
West. Midden in het ingetogen middenstuk doet hij de hardste solo ooit op een
harmonica geblazen. Zijn mond zit als een bankschroef om het metaal. En maar
zuigen en maar blazen. HAAAAAAHOEEEEEEEE, HAAAAAAAHOEEEE, snerpend, een ijzeren
long over asfalt, een minuut of 20.
Dat was de laatste keer op een bruiloft zworen we.
Aanstaand
weekend dus weer. Volgende week maandag, 23 april, een verslag
Doordevil
|

|