|
"Hij is anders, het trekt
wel bij."
Ik kwam zoveel op Kutjebef
en in café
de Kut dat ik het niet eens meer in de gaten had. Dat er Kut in voorkwam. Ik
merkte het gisteren opeens. Vanaf zolder riep ik in het trapgat: “Schat, Kutjebef
is terug”. “Dat zou tijd worden, schrijvertje van niks. Ik doe even iets
makkelijks aan, ik zie je zo”, was het antwoord. Verdomd, het betrof hier een
handeling! Ik was inmiddels zo gedegenereerd door internet dat Kutjebef voor mij
niets anders was dan een jongen
met een zwarte hoornen bril op. Zwetend zwoegen op een zilte biefstuk, dat
was het natuurlijk ook.
Ach, ja, kutjebeffen, toen we
nog jongens waren. Als je natte wenkbrauwen had was je de held van de straat. Ik
woonde in een vreemde buurt. Door natuurlijke selectie woonden er op nummer 8
t/m 36 allemaal fervente beffers. De oneven getallen, aan de andere kant van de
staat, waren meer neukertjes. Losertjes.
Het beffen werd er met de
paplepel ingegoten. Ik wist niet beter. Mijn vader deed het voor op een oude
zeem. Ik kon er wat van zei hij. Andere jongens in de stad waren met brommertjes
bezig, wij lagen de hele dag lekker op ons buik een masterclass te kutjebeffen.
Emotionele toestanden in de straat als je voor het eerst er alleen op af ging.
Je ging je eerste kut beffen. Huilende vaders bij de heg.
Bij mij pakte het anders uit.
Ik blokkeerde. Ik lag al met mijn voorhoofd in het schaamhaar toen ik opeens
werd overvallen door een gevoel van enorme
zinloosheid. Juist nu, met mijn gezicht in het zo prachtig door mijn opa
beschreven kutwerk bedacht ik mij dat je ook kon gaan wandelen. Ik kon me opeens
niets zinlozer voorstellen dan kutjebeffen. Het stonk ook. Wat was ik in
godsnaam aan het doen? Wat was er van me geworden?
Een klassieke scène volgde.
“Nee, nee, ik wil niet meer, laat me met rust. Nee, sorry, het ligt echt niet
aan jou, je ruikt heel lekker. Nee, echt niet, je hebt een prachtkut, echt. Zo
zie je ze zelden, zo groot en toch ook weer zo klein. Het ligt echt aan mij. Ik
ben gewoon niet zo, sorry”. Daarna de klap van de deur.
Thuis vertelde ik aan een hele
kamer gespannen buurtgenoten dat ik nog kramp in mijn tong had. Jongens jongens
, daar zat de komende twee jaar geen witte aanslag op als ze begrepen wat ik
bedoelde. Haha!! Koning Bef De Eerste was
opgestaan, zoveel was zeker. Feest!
“s Avonds lag ik lang wakker.
Wat was er toch met mij? Ik was een bijzondere jongen. Ik was anders, dat voelde
ik. Er zat veel meer in mij. Het kolkte en bruiste en het wilde er uit, niet er
in.
Pas 20 jaar later schreef ik
mijn eerste column.
Nico Dijkshoorn
Roel en Roel heersen
met een grote H
Nu ook: De
Verzamelde Kritieken
|