
|

Dijkshoorn
over BigBrother: the battle
en
Nieuw: Dijkshoorn spreekt - Evert ten Napel (19/09/2001)
Doordevil naar de Chinees
Gisteren eten gehaald bij de
Toko. Dat is genieten. Ik woon in een gemeente waar uit eten gaan toch nog
vooral betekent: met opa en oma op zondagavond naar de beste Chinees van
Nederland. De beste Chinees van Nederland is in heel het land de Chinees om de
hoek. Nergens bakt men beter stukjes kip in sojasaus. Grappig.
Chinese restaurants fascineren mij. Sparen voor een foeilelijke kalender,
helemaal mijn ding. Ik probeer altijd wat mee te gaan in de belevingswereld van
de ontheemde Chinees. Ze schreeuwen altijd. Daar ga ik dan een stukje in mee.
Gewoon lekker duidelijk die bestelling er uitgooien. Nummertjes doen we niet
aan, dat is bestellen voor debielen. “Mag ik twee maal nummer 16 met saus
apart en drie keer 14, krokant gebakken graag” Dan ga ik liever dood. Gewoon
een beetje verdiepen in die prachtige eetcultuur. Ik oefen mijn gerechten thuis.
Wachten tot het een uur of zes is en je dan in zo’n bomvol afhaalhok wurmen.
“Goedendag Chinees, zal ik u
optillen tijdens het bestellen” Altijd goed, fysiek contact maken. Meestal
omarm ik ze even met drie tegelijk, die kleine gele klerelijers. Lekker even met
die Chinese koppen tegen elkaar aan ketsen. Daarna goed op volume bestellen.
“Weer lekker eten klaargemaakt voor de Nederlanders, Chinezen? Goed schrijf
maar op. We beginnen, de familie Doordevil eet graag Chao Fai Fing met krokante
bami, heeft u dat? Voor mijn kinderen graag de Chao Fai Ding, zonder brandend
sterretje er in, want dat loopt een beetje lullig naar huis met die verpakking
er omheen, meer iets voor de chinees in Volendam, wat u, hahaha, ja Chinees, dat
is Hollandse Afhaalhumor, kom eens hier” en dan weer even flink door elkaar
schudden die broze Chinezenbotjes. Doorschreeuwen.
“Ok, Chinese pikkemans, we gaan door. Voor mijn vrouw, handjes af hè, hahaha,
Foi Fau Dim zonder Dim, kan dat en voor mij onbeperkt gratis kroepoek van de
zaak, hahaha, nee hoor, ik neem gewoon weer de gesneden biefstuk in Tsjeesie Wan
saus van het oostelijk district. Wel oppassen hè, vorige keer had ik van het
westelijk district, maar zand er over. Hè, lekker!!! Ik heb er zin in. Laat
maar komen!“
Maakt meestal een enorme
indruk. Dan fijn kijken naar het schreeuwen van de bestelling naar de keuken.
Blijft mooi, die hele korte blik die je krijgt op de gierende waanzin daar vlak
achter het luikje. Je komt er al jaren en je hoort dat gesis, gevloek en gelach
achter het luik. Mateloos boeiend.
Heb ik nu eens verandering in
gebracht. Mijn kinderen naar buiten gestuurd. “Ga maar voor de deur liggen en
zeg dat je een knikker in je neus hebt”. Kinderen naar buiten en ja hoor,
binnen een minuut een ijselijke kreet van een potentiële afhaler. Het hele hok
stroomde leeg, inclusief de bediening. Ik die keuken binnen gesneakt.
Dat was even schrikken voor het
personeel. Een blanke reus in hun met Chinese urine afgezette territorium. Zeer
vijandig werd ik benaderd. Hoe lulde ik me hier uit? Zeggen dat ik hulp nodig
had met het vinden van de juiste maand in de luxe editie van de Tong Ah
kalender, daar ging men niet intrappen. “Landelijk Controle Chinees Nu”
hoorde ik mijzelf zeggen. Dat veranderde de zaak. Ik had een gevoelige snaar
geraakt. Om mij heen transformeerden de Chinezen weer in nederige dienaars.
Slaven van de pang kang, het nieuwe boek van Lulu Wang. Wederom probeerde ik de
krioelende Chinese mannetjes om mij heen te paaien. Dr. Livingstone in China,
dat idee. “Jullie zijn Chinezen” hield ik ze eerst voor. “En dat is goed.
Want wij Hollanders zijn groot en
lang en willen onze buiken voeden met jullie cultuur, het liefst met saus
apart!! Maar ik ben van de wokcontrole. Ik heb geen kwaad in de zin, chinamannen.
Opzij nu, werkvolk, ik ga controleren.” Geen idee wat ik moest doen. Ik pakte
hier en daar een dampende wok op en keek met één oog dicht langs het handvat.
Ik schreef een aantekening op een geleend papiertje. “De kolere voor de
Chinezen, helpt elkaar, eet Nederlandse waar”. Wisten zij veel. Ik stak mijn
duim omhoog. Ja, deze wok was goed. Feest in de keuken. Alsof ik in de Chinese
versie van “Sneeuwwitje en de zeven dwergen” terecht was gekomen.
Dollemantaferelen. Dansen om de pannen. Witman vond de wokkie wokkies goed!!
Dat kan in een Chinees
restaurant. Nog een weemakende nederigheid in de bediening. Maar Toko’s zijn
anders. Daar word je afgestraft als je domme vragen stelt. Ik kijk daar graag
naar. Bij ons in de toko staat een enorme Indonesische reus. Verhangt zich
liever dan dat hij de klant verbaal een woord tegemoet treedt. Krijgt veertig
keer per dag dé twee sleutelvragen: “is het pittig?” en “wat is het?”.
Geweldige reactie. Op de pittig vraag steeds hetzelfde antwoord.
“Pedis”.
“Ja, aangenaam, mijn naam is De Boer, maar mijnheer Pedis, is het
pittig?’
“Is Pedis”
"Izzepedis, ja, nou vooruit dan maar. Een portie izzepedis, als het maar
niet heet is”.
Ook geen enkel compromis bij de
“wat is dat?” vraag. Een Chinees wil nog wel eens uitleggen dat iets in een
krokant korstje wordt gebakken”. Deze Balireus niet. “Dat is sajoer lodeng
met rendang in een lombok trassi saus” Moet je het mee doen. Heerlijk.
“Pisang Goreng met tahé in wasimi djahé”
Knechten die domme
klootzakhollanders, mijn idee.
Doordevil
Nu ook: De
Verzamelde Kritieken
|

|