
|

Japanse Western
(08/07/2001)
Wat
vooraf ging:
(“En nu naar de Jap, zou Wim Kan zeggen”. Ik kon opeens niet meer wachten
Aan de overkant van de straat zag ik een uit steen gehouwen Enge Vis Met Veel
Gezicht aan de gevel hangen. “Daar is het” zei JB)
We
werden begroet door enkele minuscule Japanners. Ik kwam thuis. Op het platteland
werd met de blanke variant van dit ras nog naar hartelust geworpen. Illegaal
helaas. Twee weken geleden nog was ik in Mijdrecht naar 2e klasse
bantam dwergwerpen geweest. Prachtsport. Enorm ondergewaardeerd. In Spanje hele
sporthallen vol met uitzinnige Basken. Iets wreder daar. Hebben de dwergen
speciale tuigjes aan. Dwergentriatlon in Oostenrijk, ik lul niet. Ga er aan
staan! Eerst 20 kilometer zwemmen met je dwerg op je rug, daarna snel op de
fiets, dwerg aërodynamisch opgerold in het kinderzitje en daarna een marathon
met de dwerg elastieksgewijs achter je aan. Ideale wedstrijddwergen deze Japanners,
dat zag ik meteen. Lekker pezig en het kantelpunt voor in de kin. Ik had het
opgegeven om Reet de spelregels uit te leggen. Dat was dan weer ontzettend leuk
en dat ik me met die sport bezighield. Rulede niet.
Reet dacht bijvoorbeeld dat er maar een beetje voor de kat zijn kut werd
opgemeten terwijl iedereen weet dat de afstand telt waar de dwerg met zijn
schouder in de grond komt. Had niet eens zin om dat uit te leggen. Ik had
sowieso weinig zin in Reet.
Reet
liet nu aan een aanzwellende menigte piepkleine Japanse mannetje en vrouwtjes
zijn Mexx rugtas zien. Ze sprongen naar de rits. Zo iets hadden ze nog nooit
gezien. De Kolonel keek even geamuseerd toe maar besloot al ras Reet te
ontzetten. “Opzij, stukken zeewier, weg, vort, ga stukken rauw voor ons maken
want wij willen vanavond onbeperkt Japans dus rauw!” Hij schopte er één vol
onder zijn Japanse hol om zijn woorden kracht bij te zetten. ‘Hopla, de keuken
in, werkvolk” Dit werd erg. De Kolonel was, mede door de 6 breezertjes in de
reetmobiel, flink lazarus. Naar binnen gingen we. Ik hield mijn hart vast.
Het
betrof hier, zag ik, een Spartaanse variant op de Japanse keuken. Ik had
onderweg de enorme bakplaat met schijtlollige Japanse Dikke Kok gevreesd waar je
dan automatisch het hoofd van Frank Masmeijer bij zag verschijnen, of je wilde
of niet. Circus Renz Koken voor domme Hollanders. Meer iets voor
bedrijfsfeesten, met zijn allen heel hard gillen als de normaal zo verlegen man
van betalingsverkeer verdieping 3b zwaar beneveld door de sake zijn stevig
behaarde lul op de bakplaat dreigt neer te vlijen. Ik kende die lol wel. Twee
jaar geleden was het nog met zijn allen zonder bestek aanvallen op een wildzwijn
in middeleeuwse omstandigheden voor 120,- per persoon all-in en nu was het
paintballen met Japans toverkoken toe. Maar hier in dit pand heerste confucius
nog. Een witgeschilderde gymzaal met stoeltjes. Gezellig eten in een verbouwd
sanatorium. Er stond nog een ijzeren long als couleur locale in de hoek. Leuk.
Was
dodelijk deze omgeving voor mijn gezelschap. Aan een enorme bakplaat was het
arrogante geleut van Reet en JB misschien in de rookwolken verdwenen, maar de
serene rust in de zaal, terwijl er toch een mannetje of 40 aan het eten waren,
beloofde niet veel goeds. Onverhoeds een hand opsteken in deze omgeving was al
een brute verstoring van het wankele evenwicht.
Reet en de Kolonel keken waar we konden liggen.
“Reet,
ik wil in het midden liggen, daar” meldde de Kolonel. Hij wees naar een plekje
waar een witte jongen in de weer was met een dampend handdoekje. Daar ging Reet
al. ”U eet alleen” schalde het door de zaal. “Dat ruled niet. Wij willen
hier liggen, verschijning, want wij zijn met zijn 3-en. Opzouten, eenzame
eter” Het drong niet direct tot de jongen door. Hij vermoedde waarschijnlijk
surrealistisch Japans theater op locatie. Hij lachte en ging door met het vouwen
van zijn natte handdoekje. Dat beviel Reet niet. “Kom eens hier, dat doe je
verkeerd. Je moet het vouwen als de Vochtige Loempia Kikker. Reet
griste het doekje uit Geest zijn handen, simuleerde kort een woeste
origamisessie met textiel maar sloeg toen opeens
met de punt van de natte handdoek de jongen vol op zijn wang. “Grote
Au”, zei de Kolonel naast me. Reet boog er wel beleefd bij. “Takaru Mawa”
zei hij en klets, daar had de jongen de tweede knal in zijn nek te pakken. Reet,
dat moet gezegd, deed het met de waardigheid van een oud mythologische krijger.
Je geloofde er wel in, in deze reinigende samurai boetedoening. “Takaru Bawati”
maakte hij zich klaar voor alweer een striemende slag met de theedoek. Sorteerde
het juiste effect. De jongen wilde bij het raam zitten. “Bawati Sunimato”,
groette JB hem in het voorbijgaan.
Daar
lagen we. Ik liet het allemaal maar gewoon over me heen komen. Reet en de
Kolonel waren niet meer te stoppen. De andere gasten lagen min of meer ethisch
als levende vraagtekens aan tafel. Reet en JB lagen languit op hun rug met de
armen en benen wijduit. “Heerlijk man, liggen ruled enorm.” Reet rolde zich
nu op als een foetus en liet aan zijn rectum een daverende scheet ontsnappen.
“Een compliment voor de kok, Reet weet hoe het hoort, Dijkshoorn” legde de
Kolonel uit. Reet had ongemerkt de houding aangenomen waarin op afroep honderden
kloeke fluittonen aan de aars konden worden ontlokt. Alsof er een Oudhollandse
stoofpot midden in de zaal stond te pruttelen, in zo’n moordend tempo gooide
hij ze er uit.
“VRETEN
NOU, GODVERDOMME” schreeuwde hij opeens tussen zijn benen door. “Jap, kom
eens hier. Wat zijn we aan het doen? Gaan we nog jappiehappie klaarmaken of hoe
zit het? Het is godverdomme rauw dus dat moet niet te moeilijk zijn. He, kom
eens terug, heb je wasabi? Ja? Drie borden wasabi vooraf, pik, en een beetje
vaart er achter.” De Kolonel en Reet haalden op luide toon verhalen op over
hun reis naar Japan. Had ik al 300 keer gehoord. Een schele Japanner had twee
jaar geleden bedacht dat er ook in zijn thuisland een markt moest zijn voor
schijtende animatiehondjes en had Reet en JB, die zich indertijd had voorgedaan
als inkleurder van de tekeningen, voor een week naar Tokio gehaald. Sindsdien
waren de heren kenners. Alles in Japan was beter.
Reet was weken lang naar Hollandse markten afgereisd en had visboeren tot
gek wordens aan toe beschimpt met hun Hollandse tyfusvisjes. Nee dan de vismarkt
in Tokio! Niet te harden was het, die Japan-tik
van de heren webloggers. Hoeveel verjaardagen hadden ze de laatste twee jaar
niet verknald door aan te komen kakken met die Japanse burgertrutverhalen. Geen
kauwgom op straat, meneer! Alles schoon! En op iedere hoek van de straat
politie, kom er nog eens om! En lachen man, met die Jappen. Japanse humor, het
bestond en zij kenden de finesses. Het was hetzelfde enthousiasme als iedere
andere kuttoerist. Thuiskomen uit Tunesië met een vogelkooi van drie meter hoog
of in Mexico opeens helemaal blind zijn van een geslepen stuk lavasteen, veel
meer was het niet. Ook nu weer. “Kan nooit de wasabi zijn van dat tentje in
Tokio. Bestaat niet” Zo ging dat maar door.
Daar
was de Wasabi. Kende ik wel, ik was niet achterlijk. Een soort sambal voor
psychopaten. Mierikswortelconcentraat. Drie bolletjes de man kregen we. In
iedere lepel zaten 94 mierikswortels. Mosterdgas in zijn gepureerde
verschijningsvorm. Reet en JB kenden duidelijk alleen de milde mietjesvariant
uit een zakje. Ze vielen gretig aan op het eten. JB had de tegenwoordigheid van
geest om de zachte bal eten meteen weer op zijn bord te kieperen maar Reet was
net op luide toon aan iemand zes tafels verder aan het vertellen over zijn
roadster toen de wasabi onbarmhartig hard bij hem binnenkwam. Verstarring. Reet
leek in zijn eentje op een Japanse western. Het was griezelig om te zien. Hij
stond op met nog een hele kluit wasabi aan zijn kin. Hij schreeuwde. Ik duidde
het eerst als pijn aan zijn bek maar alras begreep ik dat Reet zwaar aan het
hallucineren was, een bekend bijeffect van een OD’tje wasabi. Alle remmingen
weg, dat kwam niet echt lekker uit in deze omgeving. De rest van de aanwezige
eters hield zich zo stil mogelijk terwijl Reet langzaam door de zaal schreed. De
verkeerde schoenen aan en je kon nu zomaar de lul zijn, dat besefte iedereen
goed. Zelfs JB hield zich stil. Een tijdbom was het, Reet, met een kolkende bal
Wasabi in zijn maagdarmkanaal. Iedere
beweging kon nu iets vreselijks triggeren. De deur zwaaide open en een ober met
een immense rauwe makreel keek Reet recht in de ogen.
Foute
boel, dat zagen wij meteen. JB en ik deden nog een half laffe poging door aan
reet zijn rugzakje te gaan hangen, maar net als een op drift geraakte mongool
ontwikkelde hij buitensporige krachten. Hij sprintte recht op de ober af die
geen schijn van kans had. Ik schatte de afstand op 6.34 toen hij zich met zijn
schouder in de ijzeren long boorde. Mooie worp van Reet.
Reet.... Daar stond hij,
met de enorme makreel boven zijn hoofd. Bijbels was het bijna. Er kon van alles
gebeuren. Kon ik hem maar tekenen in deze pose, ik zou er miljoenen zeefdrukjes
van verkopen. Maar poseren was niet echt iets voor Reet. Daar ging hij aan de
haal met de makreel. We zagen hem op volle snelheid de keuken inhollen. Ravage
zo te horen. We hoorden met zijn allen, JB, de veertig gasten en ik duidelijk de
natte doffe klap van de makrelenkop waarna er steeds een gehavend vrouwtje of
mannetje gillend de keuken uit kwam. Steeds rustiger werd het tussen de potten
en pannetjes. Een
laatste worsteling hoorden we en daar vluchtte een dikke kok de straat op.
Spannend. Het bleef nu doodstil in de keuken. Wat deed Reet? Minuten gingen
voorbij. Opeens verscheen hij in de deuropening. De makreel droeg hij nu losjes onder zijn arm. Hij
bloedde hevig uit zijn hoofd, Reet. Hij keek ons aan. Hij ging iets zeggen.
“KA-RA-OOOOOOKEEEEEEE RUUULEEESSS” schreeuwde hij toch nog onverwacht op
volle kracht.
“Karaoke,
ja, godverdomme, dat is leuk”, zei de Kolonel die niet noemenswaardig
verontrust reageerde op de als een
rund bloedende Reet. Alsof Iggy Pop gezellig bij ons aanschoof, zo erg was hij er aan toe. Hij keek ons verdwaasd aan. “Reet, leg die makreel eens neer en
lease eens een zangmachine, ruler”. Daar ging Reet alweer. Buiten zwaaide hij
naar ons vlak voordat hij werd gegrepen door een motor. Drie maal om zijn as
telden wij en toen, plof, op het asfalt. Daar lag Reet. “Even uiteten”
mompelde JB.
(wordt vervolgd)
Doordevil
|

|