|
Dijkshoorns
Lijdlog: Hier
Beverrat
Ik
heb een kleine beverrat gekocht. Drie dagen geleden kwam ik uit de kroeg, stond
wat aan mijn fiets te rommelen en opeens iemand naast me, met een kartonnen
doos.
“Beverrat
kopen?”
Ik
keek. Een betrouwbare jongen leek mij. Mooie ogen. “Beverrat kopen”, zei hij
nogmaals. Meneer had haast. Tsja. Ik had er geen een, dat moest ik toegeven. De
gezelligheid van een huisdier... In een flits zag ik het voor me. Mijn beverrat
en ik. Lekker tegen me aan in bed, arm om zijn pels. Hand losjes op zijn oranje
tanden. Fijn door het park hollen met mijn beverrat.
Mensen zouden omkijken. Vriendschap tussen mens en dier, iets mooiers was
er niet.
Ik
kon me al geen leven meer zonder dit wezen voorstellen. We moesten maar eens
kennismaken. “Eerst zien”, zei ik. Ik zou niet de eerste zijn die thuis kwam
met een baksteen luisterend naar de naam Victor. Een bekende truc. Keihard werd
er ingespeeld op de sentimenten die eenzame mannen bij dieren voelden. Het was
een groeimarkt. Volwassen kerels die dertien jaar alleen waren kwamen
dolgelukkig thuis met een okapi.
Ik
deed de doos open. Daar zat hij. Verdomd, een beverrat. Hij keek verstoord op.
Was met de bodem bezig. Een intensief werkje zo te zien. Ik stoorde hem
duidelijk bij iets belangrijks. Ik voelde een lichte teleurstelling. Dit was
niet een beest dat zich kroelend van genot onder de buik liet aaien. Ik aaide
graag over buiken. Ik keek nog eens goed. Het dier tolereerde mij. Einzelgängertje,
deze beverrat.
“Wat
moet hij kosten?" Dat viel tegen. De beverrat lag erg goed, was het
verhaal. Eerst was het allemaal springbok en Javaanse vos geweest wat de klok
sloeg, maar nu was het zonder meer beverrat. Moeilijk aan te komen. Hij werd via
Assen vanuit Hamburg het land binnengesmokkeld. Dat kwam er dus bij,
smokkelkosten. Dat begreep ik wel. Zeshonderd euro, maar dan had ik wel een
topbevertje. Ik kon geen weerstand meer bieden. We hoorden bij elkaar, ons hele
leven lang al. Hij kwam thuis, deze beverrat.
“Hoe
heet hij."
“Arie.”
Dat
was lekker kut dan. Ik had gehoopt op een Slavische naam. Balavic had voldaan,
desnoods Pjotter. Arie. Dat was meer een naam voor brildragende zwagers. Ik bond
Arie achter op mijn bagagedrager, met de doos er nog omheen.
Lekker,
naar huis fietsen met een huisdier. "Ja, wat een toestand hè Arie, nou!
Pas op, kuiltje. Zo lekker slapies doen en morgen weer een dag." Ik vroeg
me ondertussen af hoe hij deze rit beleefde. Luik-Bastenaken-Luik in een doos,
zoiets moest het zijn.
Thuis!
Ik pakte de doos. Luisterde even. Het bleef angstig stil binnen. “Arie”, zei
ik. “Arie, we zijn thuis." Geen geluid. Ik betrad mijn woning, zette de
doos op de bank en deed hem voorzichtig open. “Arie, wakker worden”,
mompelde ik. Opeens kantelde de doos. Als een schicht zag ik Arie door de kamer
bewegen, pang, weg, achter de bank.
Misschien
moest hij eerst nog wennen. Hij kwam verdomme rechtstreeks uit Hamburg, bij de
Strumpfmachers Guthanson Bevereinsatz Organisation vandaan, mocht je dan even in
de war zijn! Hoor, wat enig , ik hoorde hem knagen, of was het likken? Het
geluid ontroerde mij. Hoe snel kon je wennen aan alleen je eigen geluidjes! Dit
was een nieuw geluid van een ander levend wezen. Ik genoot. Hoor eens, hoe hij
tekeer ging. Meneer had het naar zijn zin!! Ik luisterde gefascineerd. Ik won
blijkbaar zijn vertrouwen, want ik hoorde hem langzaam dichterbij komen. Hij
zocht zijn baasje.
Opeens
nam de intensiteit van het geluid toe. Alsof er een staafmixer achter de
luxaflex was gevallen, zo ging hij tekeer. Wat gebeurde er in godsnaam?
Brekend houtwerk, een scheurend geluid en opeens zag ik Arie, die
frontaal uit de voorkant van mijn bankstel viel. Hij had zich in twee minuten
door het houten onderstel heen gevreten.
Nu
niet in paniek raken.
(Wordt
vervolgd)
Roel en Roel heersen
met een grote H
Nu ook: De
Verzamelde Kritieken
|